Blog

Annemieke de Groot geeft u een persoonlijk inkijkje in de werkzaamheden van Q-support

7 december 2017

We beginnen in toenemende mate erkenning voor de gevolgen van Q-koorts te zien. Eén uitspraak in een procedure, wil ik u niet onthouden. Gewoon omdat we voor de specifieke patiënt het verschil hebben kunnen maken, maar vooral omdat er een nieuwe baanbrekende stap is gezet in erkenning van QVS.

We zien dat er vaak algemeen naar de mogelijkheden en beperkingen wordt gekeken bij mensen die uitvallen vanwege hun ziekte. Soms komt men dan tot onbegrijpelijke oordelen. Zo kreeg ik laatst een besluit onder ogen over patiënt X, die vanwege de extreme, wisselende moeheid en concentratieproblemen niet in staat is het huidige werk uit te oefenen. Het oordeel luidde dat hij 40 uur fabriekswerk kon verrichten. Op zo’n moment wordt volledig voorbij gegaan aan de essentie van de gevolgen van Q-koorts.

In de casus die ik nu aan wil halen, lag het heel anders. In dit geval werd het vermogen van patiënt Y naar mijn mening wel goed beoordeeld. Geconstateerd werd dat hij niet meer dan 15 tot 30 minuten aaneengesloten zijn taken uit kon oefenen en dat zijn herstel dan minimaal 30 minuten duurde. Ik vond deze zuivere wijze van beoordelen een goede stap voorwaarts en voor ons ook weer een casus om in de toekomst naar te verwijzen.

Een ander thema dat deze week op mijn pad kwam, is toch weer de rol van de gemeente ten aanzien van de Q-koortspatiënt. Ik was uitgenodigd om wat meer te vertellen over Q-koorts, over ons werk en de rol die gemeenten in de toekomst op moeten pakken. Ik heb daarover al eerder in mijn blog geschreven. Het blijft een proces van de lange adem, maar hopelijk hebben we tijd. Die lange adem is nodig omdat gemeenten ook nog moeten leren omgaan met een voor hen onbekende materie. Ik blijf pleiten voor tijd en ruimte om dit proces stapje voor stapje te doorlopen. Al eerder heb ik gesteld dat de eerste stap de goede wil van een gemeente is en die zie ik volop. En dat het weerbarstig is: absoluut.

In het gesprek dat volgde na een korte inleiding kwam ook naar voren dat er veel verwarring heerst over de mogelijke middelen die landelijk beschikbaar worden gesteld. Ik heb toegezegd dat nogmaals in mijn blog te verhelderen voor zover dat mogelijk is.

De verwarring zat met name in de veronderstelling dat de in de zomer toegekende 10 miljoen als ‘gebaar’ en/of  de recent genoemde 9 miljoen in het regeerakkoord linea recta naar gemeenten zijn doorgestuurd en dat Q-koortspatiënten daarmee recht zouden hebben op extra voorzieningen. Die veronderstelling is niet juist. De 10 miljoen worden apart toebedeeld, op welke wijze is nog niet duidelijk. De 9 miljoen: ook daar weet ik niet alles van, maar wat ik wel weet is dat het niet één op één naar gemeenten gaat. Dat zou ook niet zo eenvoudig zijn. De ene gemeente heeft veel patiënten, de andere minder of maar één. Hoe bepaal je dat? En hoe weet je of er nog patiënten bijkomen?

Het overdragen van patiënten naar gemeenten vindt plaats in het kader van de zorgplicht die zij hebben voor al hun inwoners. Gemeenten moeten dit doen met de voor hen reeds beschikbare budgetten en mogelijk extra middelen die zij zelf beschikbaar willen stellen. Daar heeft een gemeente een eigen bevoegdheid voor. Zo zijn er gemeenten die ervoor kiezen om het beweegprogramma te vergoeden, anderen maken weer andere keuzes.

Gebeurt er dan helemaal niets? Uiteraard staat het extra budget van 9 miljoen niet voor niets in het regeerakkoord. De minister zal daarover zeker met een eerste advies komen. Na een lange formatie en een eerste inwerkperiode zal er zeker ook een besluit komen over de inzet daarvan. We moeten nog even geduld hebben. 

<<< vorige blog - home >>>